René Hoogschagen

Verhalenmaker

Tilt

Dit verhaal schreef ik als vingeroefening, in een reeks schrijfoefeningen van schrijvenonline, op basis van advertenties.

 

Ik zet mijn fiets tegen de stoffige muur van het pand, een functioneel ontwerp voor opslag van grote bergen graan, met één metershoge schuifdeur in het midden van de gevel. Groot genoeg om een kiepwagen doorheen te laten rijden. Dat hoeft nu niet meer, weet ik, onder een enorme klep op de grond voor de loods is tegenwoordig een stortbak in de vloer gebouwd waar het graan met schuivend geraas in gelost wordt. Verderop komt er een pijp uit de gevel met daaraan een vultrechter om galmend lege vrachtwagens te vullen. Ik trek mijn broodtrommel onder de snelbinders vandaan. De zwarte rubbers petsen terug op de bagagedrager. Als ik naar de deur loop zie ik dat deze al op een kiertje staat. Ik trek hem verder open en wurm me naar binnen. Het licht is al aan.

‘Môgge’, roep ik de ruimte in. Geen antwoord. Ik loop naar het hok wat André kantine noemt, maar wat niet meer is dan een grote bezemkast met een tafel en twee stoelen. En veel stof. In het vensterbankje van een raam van een vierkante meter, op ooghoogte, staan twee dozen stofkapjes en een doos oordopjes. De dozen blokkeren de helft van het raam. Aan de muur hangt een grote grijze kast met apparatuur uit de jaren vijftig, dat nu waarschijnlijk met gemak overgenomen kan worden door een app in een smartphone. Er zitten grote ronde drukknoppen en nog grotere wijzerplaten op. Een aantal knoppen geven groen licht. Twee andere kleuren rood. Maar ik heb André daar nooit over gehoord.
‘Daar blijf je vanaf,’ is alles wat hij over de grijze kast heeft uitgelegd.

Aan het tafeltje zit André. Een gedrongen man met symmetrisch haar: onder heeft hij een klein baardje zonder snor en op zijn hoofd zitten evenveel grijze sprieten in een halve ring op zijn achterhoofd. Hij niest. In een reflex houdt hij zijn hand voor zijn mond. Hij veegt de benieste hand af aan zijn blauwe overal, die daar gek genoeg schoner van lijkt te worden.
‘Zo,’ zegt André. Hij schenkt koffie uit een oranje thermosfles met een bloem erop in een dun wit plastic bekertje. Het bekertje verschuift bij de eerste plens leut. Dan gooit hij er suikerklontjes in. Ik tel er vier. ‘Ben je daar eindelijk.’
‘Sorry.’
‘Zak op m’n lorrie, je moet op tijd zijn.’
‘Morgen ben ik op tijd.’
‘Is je geraaie, want ik heb geen tijd om op jou te wachten.’
‘Mijn oprechte excuses. André.’
‘Doe normaal.’

Het is een onzinnig ritueel aan het worden. André doet de hele dag niet anders dan wachten. Ik ben er vooral om te vegen en om graan te scheppen dat ergens naast is gekomen. Vandaag is het niet anders. André zit intussen in de luchtdichte cabine van de heftruck waar hij de hele dag in rondrijdt. Joost mag weten waarheen. Ik kan er geen zinnige functie voor bedenken. Pa heeft het ding waarschijnlijk voor hem aangeschaft om hem koest te houden. Wie wil dit werk anders doen?
‘Vandaag komt er nog één he?’ Zeg ik. ‘Dat vertelde m’n vader vanochtend. Meer dan veertig kuub is het niet, zei hij.’ De oogsttijd loopt op zijn eind en de meeste boeren hebben het graan allang van het land af. André schudt zijn hoofd.
‘Zeker honderd,’

Een aanhoudend getoeter klinkt door het raampje het kantoor in. André staat op. Ik schenk nog gauw een bak koffie in. Als ik me weer door de deur naar buiten wurm zie ik een vrachtwagen staan met laadbak. De chauffeur is uitgestapt en staat bij André.
‘Daar ben ik dan,’ hoor ik hem zeggen, ‘met honderd kuub graan.’ De man geeft hem een knipoog. Dan ziet hij mij en lijkt even te schrikken, maar hij herpakt zich snel en roept: ‘jij bent er zeker één van Van Wieringen?’ Ik knik en schudt hem de hand.
‘Jan,’ zeg ik.
‘Dirk de Vries. Zo, dus jij komt hier de boel overnemen? zegt hij met een lach en hij geeft nu een knipoog aan mij. Ik grinnik wat en kijk naar André, die weer naar binnen loopt. ‘Hij is hier toch de baas? Dit wil ik hem niet afnemen.’ De man lacht hardop. Dan klinkt er een klak en een luid gezoem. De loodzware klep gaat langzaam omhoog en het rooster op de stortbak wordt zichtbaar. Dirk stapt weer in zijn vrachtwagen en manoeuvreert deze met de opening van de laadbak boven de trechter. De klep is intussen helemaal naar boven. André komt weer naar buiten. De bak gaat de lucht in en het graan stort onder luid geraas de ondergrondse trechter in. André geeft me een stok met een plank eraan en wijst naar een hoopje dat ernaast is gekomen. Ik ga zonder morren aan de slag en trek het graan met het simpele maar doeltreffende werktuig de stortbak in. De twee mannen praten aan de andere kant van de laadbak verder. André staat net op het rooster van de stortbak, de man staat op het beton ernaast. Ze praten zachter dan eerder.

Als het hoopje weg is herinner me de koffie. Ik loop naar binnen, de stok-met-plank tegen de tafel en neem een slok van de lauwe koffie. Sterk. Erg sterk. Ik pak de doos suikerklontjes en gooi er twee in. Ik reik naar een ander doosje voor een roerstaafje, maar daarbij stoot ik tegen de stok. Die valt om en zeilt richting de grijze kast. Ik probeer hem nog tegen te houden, maar mijn beweging heeft averechts effect. De stok krijgt nog meer vaart en landt met de punt precies tegen één van de rood verlichte knoppen op het ouderwetse apparaat. Ik houd mijn adem in en spits mijn oren. Er lijkt niets gebeurd. Ik zucht. Dan hoor ik door het stoffige raampje ineens een gesmoorde gil en een krakend geluid.

‘Te koop zgan Clark Heftruck.bj ’97 3.3m mast siteshift volrubber banden volle cabine verwarming slechts 2150 uur! koopje.’

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 René Hoogschagen

Thema door Anders Norén