René Hoogschagen

Verhalenmaker

De verzamelaar

Dit verhaal schreef ik voor een schrijfwedstrijd.

 

Hij murmelde terwijl hij liep. Zijn vinger tikte langzaam tegen zijn onderlip en hij keek zeven tegels voor zich uit. Te weinig. Het zouden er zeker twintig zijn geweest als hij niet zijn zwartvilten trilby op had. Of als hij een kleinere had gekozen vanochtend. Hij twijfelde nog tussen twee pork-pies. Die met etno-print zou indruk maken op de borrel na het werk, maar hij vond hem toch wat te uitgesproken om er de hele dag nog mee rond te lopen. Bovendien zou hij dan iets anders aan moeten trekken en hij had geen andere colbert meer hangen. Dan zou hij… nee, dat ging hij echt niet doen. Vlak voordat hij ging ontbijten zette hij die andere op, die grijze waar een soort deminblauw doorheen schijnt, maar toen hij zichzelf bij het afruimen in de spiegel langs zag lopen, begon hij toch weer te twijfelen. Zo in het voorbijgaan lijkt deze toch wat stijfjes. Hij nam de hoed af en draaide de band in zijn handen. Ook nu weer zag hij de schoonheid van de blauwe gloed, net als in dat winkeltje in Milaan, waar Anna twee keer naar buiten liep terwijl hij dubde. Hij begreep de hints wel, maar zo’n aankoop is niet zomaar iets. Vervelend dat hij haar dat nooit duidelijk heeft kunnen maken. Eigenlijk is het een miskoop, hoewel hij dat nooit zal zeggen over zijn hoeden. Het is nu niet meer dan een herinnering aan Anna. Even voelde hij haar frèle handen weer op zijn schouders. Geïrriteerd schudde hij ze er vanaf, opende de inloopkast, zette de grijsblauwe in de container en liet zijn vingers over de andere gaan. Hij wist precies welke hoed waarin zat, maar pakte evengoed een paar uit hun verpakking. Uiteindelijk koos hij voor de zwartvilten trilby. Tijdloos. Elegant. Het veertje in de band maakt het af. Fijn, zo’n brede collectie. Wel jammer dat hij er zo weinig ruimte voor heeft. Misschien kan hij eens kijken of de zolder een mogelijkheid biedt om hoeden op te bergen. Hoewel, op zolder… hij zou er niet één kunnen kiezen die op zolder zou moeten liggen. Behalve de grijsblauwe dan misschien. Tenzij…

Zo mijmerend liep hij in lange ferme stappen over het trottoir. Hij tikte zijn vinger op zijn lip en zag niet verder dan zeven tegels voor zich uit. Veel te weinig voor iemand met enige haast. Hij hoorde eerst de lage brom. Toen het snerpende gekrijs. De remmen. De remmen van de stadsbus. Pas toen merkte hij het naderende asfalt onder zijn rechtervoet op.

Zijn hoofd voelde kaal op het harde zwart. De trilby rolde het trottoir op. Het laatste wat hij zag was hoe een man zijn bolhoed afnam en naast hem knielde.
Een haarvilten met donkerblauwe rand.
Keurig. Klassiek.
Perfect.

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 René Hoogschagen

Thema door Anders Norén