René Hoogschagen

Verhalenmaker

Het Ding

Dit verhaal schreef ik voor een wedstrijd van Schrijverspunt. Het werd verkozen voor een publicatie in een bundel. het is te koop bij Schrijverspunt en op Bol.com.

 

‘Gôh.’ Ik schoof het ding in het pakpapier en legde het op schoot. Mijn blik bleef op het pakje gericht. Ik durfde tante Jo niet aan te kijken en wegkijken durfde ik al helemaal niet. Dat zou erg oneerbiedig overkomen en dat is toch een van de dingen waar ik waarde aan hecht; ondanks mijn eenvoudige afkomst hebben mijn ouders me keurig opgevoed. Ik ging altijd met nette meisjes om en ook wijlen mijn echtgenoot, hij overleed na tien jaar – auto-ongeluk, kwam uit een goed milieu.

Deze keer liet mijn gratie me één moment in de steek. Eerst ging het nog redelijk. Ik zei zoiets als: ‘Bedankt, tante Jo!’ Maar toen kwam de fout. Ik wilde er nog iets aan toevoegen. Iets om haar gerust te stellen. Stom natuurlijk; tante Jo luistert daar niet eens naar. Ik zei: ‘wat eh…’ en bevroor. Ik kon geen enkel positief woord verzinnen bij dit ding. Zelfs geen neutraal woord. Ik kuchte, terwijl mijn hersenen koortsachtig zochten naar de juiste beschrijving. Ik opende mijn mond een paar keer, maar er kwam niets. ‘…een ding’, zei ik tenslotte, ademloos bijna.

Ik forceerde nog een glimlach, maar het leed was al geschied. Twaalf paar ogen brandden in mijn huid. In mijn ooghoeken zag ik zelfs kleine Fien van hiernaast haar neppannenkoek neerleggen en me gespannen aankijken. Ik prees mezelf ondanks alles gelukkig dat Geert er nog niet was. Die had vast een of andere onhandige opmerking gemaakt. De lieverd. Ik had hem vorige week eindelijk gevraagd om langs te komen en hij had ja gezegd. Ik had het niet moeten doen. Ik werd al wiebelig van het idee dat hij hier zou zijn.

Alleen tante Jo had niets door. Ze ratelde maar door over een enig rommelmarktje in een stadje aan de Engelse zuidkust, waar ze het ding tussen een stapel oude kleren en kinderspeelgoed vandaan viste. Tante vond het een eigenaardig stuk moderne kunst en vroeg wat het kost – ik zie het haar doen, op luide toon, met mensen die opkijken, want zo praat tante, alsof ze van alles op de hoogte is en overal verstand van heeft. Een vrouw met een air van naiëve vanzelfsprekendheid. Arrogant, zouden sommigen zeggen, maar dat impliceert opzet. Deze vrouw is gewoon gewend haar zin te krijgen. De vrouw achter de kraam stond op en zei heel zachtjes iets waaruit tante opmaakte dat het ding er niet had moeten liggen. De vrouw wilde het van tante terugnemen, maar die liet zich niet zomaar afwimpelen. Ze wilde het en ze zou het krijgen. Tante Jo protesteerde (ongetwijfeld op diezelfde luide toon), waarop de vrouw het ding ongemeen snel verkocht. Ze onderhandelde niet eens, vertelde tante jolig.

Het lukte me niet om in haar gemoed mee te gaan, terwijl ik normaal gesproken die joligheid goed weet te veinzen wanneer ik cadeautjes krijg die ik verafschuw. Die lange oorbellen bijvoorbeeld, die ik van Marjette kreeg. Die staan mij niet, met mijn korte nek en dat weet ze best. Marjette heeft wel een prachtige lange nek. Een nek waar haar Wouter graag zijn hand inlegt. Ook als ik erbij ben. Marjette kijkt me dan aan alsof ze wil zeggen: ‘Ik heb iemand die aan mijn nek zit.’ Niemand heeft mijn werkelijke gemoed ooit door. Nu had iedereen het door.

‘Is hij niet enig?’ riep tante Jo voor de derde keer. Ze pakte het pakje op, trok hem uit het papier, paradeerde ermee door de kamer, terwijl ze zorgde dat iedereen hem goed kon zien en zette hem op de schoorsteenmantel, naast mijn Van Straaten, een liggende vrouw met zoveel elegantie dat ik er nog steeds van onder de indruk ben. Kunst doet dat soms met je. Ze pakte de liggende vrouw bij haar hoofd en schoof haar een beetje naar links, zodat beide voorwerpen evenveel plek op de rand innamen.

‘Leuke combi zo, vind je niet?’ riep tante Jo over haar schouder. ‘Die paarse kleur vind ik zo bijzonder. Dat zie je niet vaak in moderne kunst.’ Ze deed een stapje naar achteren, bleef even staan en bekeek het ding daarna van heel dichtbij. Haar neus raakte het bijna toen ze haar hoofd haastig terugtrok. ‘Uh! Mijn excuses, lieve Elie, maar hij riekt een beetje, vrees ik. Ik had hem even moeten schoonmaken natuurlijk, voor ik hierheen ging. Sorry, meisje. Ik was ook zo laat op, vanochtend. Ik moest echt even bijslapen van de lange reis.’

Ik glimlachte maar weer eens. Ik vroeg wie er nog wat wilde drinken en verdween in de keuken. De bestelling was klein, de meesten stonden alweer op om te vertrekken. De rest van de visite ging er ook snel vandoor; andere verjaardagen, morgen weer aan het werk, de tuin moet nodig, nog even naar de bouwmarkt. Ik protesteerde niet.

Als laatste zwaaide ik kleine Fien uit. Haar had ik zelf weggestuurd. Bij de deur omhelsde ze me, gaf me een zoen op mijn wang en fluisterde: ‘mama heeft er ook een. Ze heeft hem verstopt.’ Ik gaf een zoen terug en drukte haar nog een paar toffees in haar handen. Daarna trippelde ze weg en ik liep mijn lege huis weer in terwijl ik speelde met het idee om het cadeau van tante Jo te verstoppen.

Ik ruimde de spullen van de tafels, schikte de stoelen, stofzuigde, vulde de afwasmachine en keek naar het ding. Ik liep ernaartoe. Het stonk inderdaad. Eerst schoonmaken, dan zou ik wel bedenken wat ik ermee zou doen. Ik pakte het op, liep naar de keuken en toen ging de bel. Geert! schoot het door me heen. Ik liep door naar de voordeur en deed open.

Daar stond hij. Met een bos bloemen en een plat pakje. Vast bonbons. De schat. Zijn guitige blik verstarde bij het zien van het langwerpige afgeronde voorwerp in mijn hand. Ik schrok. Ik had het ding nog vast! Ik pakte het in mijn andere hand over en weer terug. Wat moest ik?

Toen gebeurde het ergste: mijn handen begonnen te trillen.
En te zoemen.

 

Dit verhaal schreef ik voor de schrijfwedstrijd Het Cadeau van Schrijverspunt. Het verhaal is uitgekozen om te worden gepubliceerd in een bundel met de beste 43 inzendingen.

Verder Bericht

Vorige Bericht

0 Reacties

Laat een reactie achter

© 2019 René Hoogschagen

Thema door Anders Norén