René Hoogschagen

Verhalenmaker

De Mombliematrix

Blubbiepap

‘Aks,’ zuchtte mijn moeder terwijl ze de keuken in schuifelde, ‘heb je nu alweer brood gesmeerd?’

Ik schoot rechtop aan tafel, maar ze had de matrix niet gezien, want ze liep door, kletterde een pan op het fornuis en goot er een geel pak in leeg. Ze gaapte.

Ik zakte weer onderuit en stak de matrix nóg verder onder tafel, zodat ik het scherm nog net kon zien. Ik moest voorzichtig zijn. Als mijn moeder me met de matrix zag, moest ik weer een week gezeur aanhoren over frisse lucht en buiten spelen. De matrix afpakken durfde ze gelukkig niet, want ik had hem nog van mijn vader. Ze trok een nieuw pak open. Deze was blauw. Ander ontwerp zeker.

‘Waarom neem je niet eens een lekker bord Blubbiepap?’ vroeg mijn moeder vanuit de keuken. ‘Dat is veel gezonder!’

Ik zei niks. Er stond een monster met drie armen voor me, dat ik zo plat als het vloerkleed moest stampen.

‘Hoi Aks!’ gilde Mijs, mijn nichtje. Ze huppelde de keuken in, sprong op de stoel naast me en gilde in mijn oor: ‘Zullen we zo naar buiten gaan!?’

Ik draaide mijn schouder naar haar toe.

‘Het is superlekker weer!’

Ik snoof. Ja ja. Met die jongens van hiernaast erbij zeker. En dan zou ik weer aan de kant staan. Mooi niet. ‘Kan niet,’ loog ik. Schoolopdracht.’

‘Wat heb je daar? Oh, ik zie het al. Mag ik ook een keertje?’

Ik vervloekte haar. Maar ik zei niets. Er stonden nu vier monsters met drie armen voor me en die moest ik in de pan hakken.

‘Geef nou, Aks. Ik wil ook een keer!’ Ze greep naar de matrix.

Ik duwde haar hand weg. De monsters beukten op me in. Ik probeerde terug te slaan, maar Mijs trok aan mijn arm. Ik trok hem terug, Mijs graaide, ik stond op, draaide me om en toen was ik dood.

Kokend vuur straalde ik uit mijn ogen naar het gilbeest naast me. Ontploffen moest ze, uit elkaar spatten in honderd stukken, of smelten. Maar dat gebeurde niet. Er gebeurde iets beters. Mijn moeder deed de afzuigkap uit en zette een bord blubbiepap op tafel. ‘Kijk eens, Mijs,’ zei ze blij, ‘lekkere pap voor je.’

Ik sloop naar de bank en tikte grijnzend een berichtje aan mijn medespelers. Dat vond ik nog het mooiste aan de Matrix: je kon er praten met andere Momblieland-spelers. Dat waren mijn echte vrienden. Ze scholden me niet uit om mijn bleke huid en dunne armpjes, zoals mijn klasgenoten, want in Momblieland had iedereen armen zo sterk en stevig als boomstammen. En ze lachten me niet uit als ik iets zei, want in Momblieland typte je wat je wilde zeggen en klonk je stem niet als een troetelbeertje als je niet durfde te praten.

Ik schreef dat Mijs keek alsof ze afwaswater moest drinken. Jon lachte. Razzel ook. ‘Die komt niet nog eens logeren!’ schreef Razzel.

Toen stuurde Jon het bericht.

“He jongens, heb de MM5 besteld! Morgen heb ik hem. Kanniewachte!”

En alsof dat niet erg genoeg was, zei Razzel twee tellen later: “Tof! Ik krijg hem voor mijn verjaardag!”

De Matrix zakte op mijn schoot en ik staarde naar de witte muur voor me. Mijn vrienden vertrokken en ik kon ze niet volgen. Ik had geen krantenwijk, zoals Jon, mijn vader was dood en ik zou nooit een Matrix krijgen van mijn moeder.

Ik trok mijn hoofd aan mijn haren naar beneden. Zo bleef ik een paar minuten zitten.

‘Nou ja!’ riep mijn moeder. Ze zei het alsof iemand haar had gevraagd de wc schoon te likken. ‘Moet je horen wat hier staat!’ Ze begon voor te lezen. “Spaar honderd zegels Blubbiepap en ontvang een Matrix5-spélcomputer!” Dat laatste zei ze alsof het het smerigste iets op aarde was. ‘Wát een beláchelijke actie!’ Ze hijgde als een oude hond. ‘Ik ga een klacht indienen,’ riep ze en ze beende de gang in, naar de telefoon, waarschijnlijk.

Ik sprong van de bank en griste het pak van tafel. Dit was mijn redding! Mijn ogen schoten over de letters. We hadden tig lege dozen Blubbiepap in de schuur liggen. Zegels zat! Waar moesten ze heen? Ik zou ze brèngen als het moest.

“Blubbiepap-zegels vind je alleen op onze nieuwe, blauwe verpakking. Stuur de zegels vóór 24 mei op.”

Ik plofte het pak op tafel. 24 mei? Dat was morgen! En die blauwe verpakkingen – Ik trok de kast open – allemaal geel! Aaah! Waarom kocht mijn moeder ook altijd zoveel tegelijk? Kon ze niet gewoon elke dag naar de supermarkt, zoals normale mensen? Hoe kwam ik nu aan honderd zegels?

Mijs stond bij het aanrecht. Ze spoelde haar hele bord blubbiepap door het putje. ‘Op!’ grijnsde ze. ‘Gaan we nu naar buiten?’

Ik staarde haar aan en voelde mijn hoofd knikken, alsof mijn lijf eerder wist wat ik ging doen dan mijn hersenen. Ik pakte haar hand en trok haar mee naar buiten. Ik had een plan, beseften mijn hersenen. En Mijs moest helpen.

Buiten

Mijs huppelde voor me uit, de stoep op.

Ik kneep mijn ogen samen. Er stond zo’n lage felle lentezon die in je ogen schijnt.

‘Wat leuk!’ jubelde Mijs. ‘Ik mag mama nooit helpen met zegels. Ze vindt dat ik slordig plak. Maar ik doe dat expres. Dan lijkt het of ze dansen!’

Ik speurde de straat af. Geparkeerde auto’s en twee fietsers. ‘Hallo meneer!’ riep Mijs.

Aan de overkant liep een grijze meneer met een trippelend hondje en een boodschappenkoffertje. Hij stopte en knikte. Toen trok hij de hond bij zich en liep weer verder.

Ik stootte Mijs aan. ‘Zegels,’ fluisterde ik.

‘Wat?’

‘Zégels,’ fluisterde ik harder.

‘Oja!’ riep Mijs. Ze rende naar de overkant. ‘Meneeheer? Mogen we misschien wat zegels van u?’

Ik schermde de zon af en liep er achteraan.

De man haalde zijn schouders op. ‘Waarom ook niet,’ zei hij. ‘Eens kijken… Hier. Voor het wandelmuseum. Wil je die?’

Ik schudde mijn hoofd, maar Mijs propte de sliert snel in haar jaszak. ‘Dankuwel!’

De hoop

‘Mijs!’ siste ik, toen we een eindje verder langs hoge pakhuizen liepen. ‘We zoeken Blubbiezegels!’

Ze stopte en keek me aan. Op de achtergrond klonk het gesuis van de ringweg. Even dacht ik dat ze weg zou lopen.

‘Nou en?’ lachte ze toen. ‘Deze kun je toch ook plakken?’

Ik zuchtte.

We liepen verder, maar ineens duwde ze me in een smalle steeg tussen twee pakhuizen. ‘Anders doe je even voor hoe het moet,’ zei ze. ‘Bij hem.’

Een zure rotlucht vloog in mijn neus. Ik deinsde naar achteren, maar botste tegen Mijs. Ze wees naar een hoop oude kleren en karton. Daarachter stond een winkelwagentje vol flessen klem tussen de twee muren. Ik zag niemand. Bovendien: als hier wél iemand was, ging ik die echt niet aanspreken. Daar had ik Mijs toch voor? Snapte ze dat nou niet? Als ik iets zei, lachten mensen me uit. Dat wilde ik niet meer.

Plotseling schoof er een stuk karton van de hoop af.

‘Kijk dan!’ riep Mijs.

Alsof ik het niet doorhad. Daar lag een zwerver! Een echte! Van binnen juichte ik een beetje, want zwervers eten alles! Zelfs Blubbiepap, dat wist ik zeker.

‘Dag meneer!’ gilde Mijs weer. Ze gaf me een zetje.

De hoop bewoog nog meer, kuchte, roggelde en begon zelfs te praten, al verstond ik het bijna niet. ‘Ik beh geen meneej,’ zei de hoop met een stem als een oude vissersboot. ‘Ik bennu mevouw.’ De muvouw stond op en hield zich vast aan de muur. Ze droeg een veel te grote rode jas en bruine regenlaarzen. ‘Benne hullie pulliesie?’ zei ze.

Ik keek naar Mijs. Wanneer zei zij nou wat?

Mijs glimlachte.

‘Ik voeg ju wa! Benne jullie pulliesie!?’

‘Au!’ zei ik, want Mijs prikte in mijn zij. En nog eens. ‘Au! Nee! Ik…Au!’  

De vrouw keek me kwaad aan en zwaaide met een klein groen flesje. Ik moest snel iets zeggen, voelde ik. Anders zou dat flesje wel eens op mijn hoofd kunnen eindigen. ‘Eh… wij… ik…eh…zoek…eh…’

‘Wad? Je vesjtand?’ De vrouw grinnikte als een dolle wasmachine. Ze hoestte en rochelde en spatte een klodder spuug voor onze voeten. Daarna keek ze me weer vuil aan. ‘Wad dan?!’

‘‘Blu… Blubbiezegels,’ stotterde ik.

‘Vat denk jij vel!?’ Ze deed een stap naar voren, wankelde en greep weer naar de muur. ‘Denk jij dat ik die zmerige zooi eed? Stelletje armoejetoejisten!’ brulde ze en smeet het flesje naar ons toe. Het flesje vloog vlak langs mijn hoofd en spatte tegen de muur uiteen.

Vlietstra

Een straat verder… leunde ik… tegen een muur… en dacht aan… hoe ik Mijs… zou bekogelen… met Blubbiepap. Als ik weer… een beetje… was uitgehijgd.

‘Dat was cool!’ jubelde Mijs. Ze stond te hupsen van plezier. ‘Nu deze.’ Voor ik haar kon tegenhouden, drukte ze op alle twaalf deurbellen van de portiek waar ik tegenaan leunde. Even later zoemde er iets. Mijs duwde de portiekdeur open en trok me mee naar binnen. Ze rende de trap op. ‘Kom op, Aks!’ riep ze over haar schouder. ‘Je moet wel wat doen voor die spelcomputer!’

Ik bleef staan hijgen. Moest ik ook nog al die trappen op? Naast me klepperden brievenbussen. Kranten. Ik dacht aan Jon. Die had morgen al een Matrix5. En Razzel straks ook. Mijs had gelijk. Als ik zegels wilde, moest ik zelf ook wat doen. Ik greep de leuning en hees mezelf omhoog.

Op de eerste verdieping waren vier deuren. ‘Bedankt!’ riep Mijs. De deur voor haar viel dicht. Mijs zwaaide met een sliert zegels. ‘Wandelzegels,’ zei ze. ‘Ze eten geen Blubbiepap. En die ernaast ook niet.’ Ze belde aan bij de derde deur en wees naar de vierde. ‘Doe jij die nog?’

Ik keek naar de vierde. Aan de deur hing een bloemenkrans met een vogeltje erop. Ernaast, op de grond, lag een beschilderde dakpan. “Fam. Vlietstra,” stond er in sierlijke letters op.

Ik slikte en concentreerde me op mijn hand, die met veel tegenzin een stukje omhoog ging en halverwege bleef hangen. Kom op, Aks, dacht ik. Je kunt het. Net had je ook iets gezegd. De hand ging een centimeter verder.

Opeens zwaaide de deur open. Iemand botste tegen me op en we rolden bijna de trap af.

‘O, kindje toch!’ riep de oudere vrouw. Ze krabbelde op en streek haar jurk glad. ‘Ik heb je laten schrikken, zeker? Kom, even wat drinken tegen de schrik.’ Ik was nog een beetje verdoofd van de klap, want ik vluchtte niet, maar liet me haar huis in leiden, naar een kleine keuken met een schoon aanrecht en daarboven twee hangende kastjes. Aan de andere kant stond een eettafeltje met twee stoelen. Aan de muur hingen een kalender van de Chinees en een foto van een dikke man met een stropdas.

De mevrouw duwde me op een van de stoelen en vroeg: ‘Wil je een beetje cola?’

Ik probeerde niet te wild te knikken en dacht aan die andere keer dat ik cola had gedronken.

‘Mijn zoon drinkt ook graag cola,’ vertelde de vrouw. ‘Vooral als hij terugkomt van zijn krantenwijk.’ Ze knipoogde naar me. ‘Hij bezorgt wel honderd kranten op een dag. Veel, hè? Ik help hem wel vaak, hoor, want hij heeft weinig tijd. Hij heeft al heel veel gespaard. Misschien dat hij nog eens iets voor zichzelf kan kopen.’ Ze keek glimlachend voor zich uit en zuchtte. ‘Dat zou fijn zijn. Als hij een huisje voor zichzelf kan vinden.’

Ik nam een slok. Meteen kwam er een boer omhoog. ‘Sorry,’ mompelde ik.

‘Geeft niks, lieve jongen. Vertel eens, wat kom je doen?’

Ze was heel aardig. Ik durfde best veel te zeggen en als ik niet op missie was, had ik misschien nog wel wat langer willen blijven, maar ze had geen enkele zegel. Zelfs niet van het wandelmuseum.

Net toen ik weer weg zou gaan, vloog de keukendeur open. Daar stond de man van de foto. Een grote dikke man met een t-shirt zonder mouwen en een stoppelbaard. Alles aan hem was walgelijk, behalve de Matrix4 in zijn handen. Momblieland, zag ik. Op pauzestand.

‘Ma!’ brulde hij. ‘Waar is de chips? Je zou nieuwe kopen! En cola!’

Ik probeerde me achter mijn glas te verstoppen.

‘Sorry, sorry,’ mompelde de vrouw. Ze stommelde naar de voordeur, zei ook nog sorry tegen mij en haastte zich de trap af naar beneden.

Voordat ik weer in beweging kon komen, trok de man mij van mijn stoel en gooide me de hal in, achter zijn moeder aan. ‘Oprotten!’ riep hij en hij knalde de deur dicht.

Het leger

‘Hee Aks!’ gilde Mijs toen ik beneden kwam. Naast haar stond een donkere jongen met kort haar. ‘Wij hebben heel veel zegels gekregen!’ Ze keek naar de jongen, alsof die ging vertellen hoeveel dan wel.

De jongen zweeg.

‘Dit is Ran,’ zei Mijs. ‘Hij helpt mee.’

Ik knikte. Mooi. Hoe meer hulp hoe beter. Misschien kon Mijs nog wel meer mensen vragen. Ik hapte naar adem. Dat was een briljant idee! Ik had een klein legertje nodig.

Maar hoe ging ik dat uitleggen met die Ran erbij?

‘We hebben er 23 voor het wandelmuseum,’ ging Mijs verder, ‘tien voor een gratis tandenborstel en één voor de sauna. Die zijn geel. Leuk hè?’

‘Meer,’ fluisterde ik.

‘Huh?’ vroeg Mijs.

Ik zuchtte en keek even naar Ran. Die keek naar de grond. Ik boog me naar Mijs toe. ‘Meer mensen,’ fluisterde ik. ‘Meer hulp, meer zegels. Een leger.’

Mijs stak haar vinger in de lucht, alsof ze het begreep, draaide zich om en rende weg.

Ran bleef staan. Hij keek naar de voetbal in zijn handen. Hij lachte nog steeds niet. Misschien hield hij zich in, dacht ik, om me later extra hard uit te lachen. Maar na een minuut of tien moest ik op dat idee terugkomen. Niemand kan zijn lach zo lang inhouden. Was hij dan ècht aardig. Kon dat? Naar mij? Ik keek achterom. Wat moest ik nu doen? Ik wist het niet. ‘Eet jij Blubbiepap?’ vroeg ik maar.

Ran schudde zijn hoofd een beetje.

Kon hij eigenlijk wel praten? dacht ik ineens. Misschien was iemand op zijn tong gaan staan tijdens voetballen. Kan dat? Dat zou niet handig zijn. Dan kon hij niemand om zegels vragen. Misschien was hij wel bang dat hij zich zou verspreken. Misschien wel omdat hij stiekem de zegels zelf wilde hebben! Natuurlijk! En ik dacht nog wel dat hij aardig was. Sukkel die ik was.

‘Heb jij een Matrix5?’ vroeg ik en ik kneep mijn ogen tot spleetjes.

‘Bijna,’ fluisterde Ran.

Ik kon me wel voor mijn hoofd slaan. Zie je wel!

‘Bijna jarig,’ zei Ran. Zijn ogen flitsten naar mijn ogen en weer naar de bal. ‘Razzel,’ fluisterde hij toen en hij wees vliegensvlug naar zichzelf.

Ik klepperde mijn mond een paar keer open en dicht.

‘Razzel?’ Vroeg ik. ‘Van Momblieland?’

Ran knikte.

Pas later begreep ik dat Momblieland automatisch medespelers zocht uit je omgeving. Voor mensen die met hun vrienden wilden spelen. Als je die had.

‘Ik… Ik ben Aksemans!’ zei ik.

‘Dacht ik al,’ fluisterde Ran. Hij glimlachte.

Ik glimlachte ook.

En toen praatten we. Nou ja, ik praatte af en toe en hij zei ook wel eens wat en tussendoor was het erg stil. Het was geweldig en eng tegelijk, dat ik zomaar ineens mijn beste vriend had ontmoet. Het was ook gek. In Mombliepark zouden we nu waarschijnlijk honderduit praten. Maar nu zeiden we amper wat. Hij woonde ‘daar’, ‘in een flat’ en ‘ja,’ hij voetbalde. Dat vond hij: ‘leuk.’

‘Net als Mombliepark?’ vroeg ik.

‘Anders,’ vertelde hij.

Iemand tikte op mijn schouder. Mijs. Ze stond met haar handen in haar zij en ze had een enorme grijns op haar mond. ‘Aks,’ zei ze plechtig, ‘mag ik je voorstellen: Je leger!’ Zwierig draaide ze zich om. Achter haar stonden een stuk of acht mensen.

Het was ongelooflijk, maar waar. Ze had een leger gevonden. In een half uur tijd. Ik grijnsde en knikte enthousiast naar Mijs. Nu zou mijn missie zeker slagen!

Een meneer met een snor als een bezem stapte naar voren en gaf me een hand. ‘Dg jngmn, ds j bnt p zk nr zgls, hm?

Ik beet op mijn lip. Bijna zei ik ‘Huh?’ of ‘Wat?’ Maar ik hield me in. Dat kon natuurlijk niet. Tegen legers moet je beleefd zijn, anders trappen ze je plat. Dus ik glimlachte en vroeg: ‘Wat zegt u, meneer?’

Hij zei hetzelfde, maar dan nog onduidelijker.

Mijs haalde haar schouders op.

Toen zag ik de rest van het leger pas echt; een vrouw in een witte jas achter een man in een rolstoel, twee meisjes die op hun mobieltjes staarden, een kleine vrouw die een enorme hond aan de lijn probeerde te houden en twee kleuters die ruzieden om een bal.

Voetbal

Een uur later had ik bij drie huizen aangebeld. Bij één mevrouw kreeg ik koekjes. Bij een ander was ik weggerend. Niemand had zegels. De giebelmeisjes hadden, ongelofelijk maar waar, wel beet; één zegel. De goede ook nog. We hadden nu twee zegels.

Na het derde uur waren de kleuters door een man met een rood hoofd opgehaald. De hond was achter een kat aangerend, met de lijn wapperend achter zich aan en de kleine vrouw aan het uiteinde van de lijn. De oude man snurkte in zijn rolstoel en de rokende zuster was weg.

Ik zat op de stoep en hield mijn haren vast. Het zou nooit lukken. Ik zou nooit een Matrix5 krijgen. Ik zou al mijn vrienden kwijtraken. Ook Razzel, want ik kon ook al niet voetballen. Het enige dat ik kon was hopen dat iemand me een berg zegels zou geven. En dat ging niet gebeuren, want bijna niemand at die Blubbiezooi.

Ik schrok op toen een bus voor me stopte en een deur open siste. ‘Cool he?’ zei het hoofd van Mijs dat opeens tevoorschijn kwam. ‘Ik wijs ze de weg. Ze moesten omrijden, want iemand had een winkelwagen vol glas op de ringweg gekieperd.’ Ze pakte mijn hand en trok me de bus in.

Twintig mannen in trainingspakken keken me aan. Dit waren voetballers!

‘Het komt goed, Aks,’ zei Mijs. ‘Deze mannen hebben een heel groot leger.’ Ze knipoogde en draaide naar de chauffeur. ‘Hier naar links, meneer.’

Het grote leger

‘Spannend, hè Aks!’ gilde Mijs even later door de donkere betonnen gang van het voetbalstadion. Daar moesten we wachten.

Ik knikte en keek naar het eind van de tunnel. Daar was licht. En muziek en gezang en getoeter. Daar waren veel mensen, dat was wel zeker. Zou het dan toch nog gaan lukken?

Een meneer met een rood t-shirt en een zwart broekje liep naar ons toe. Zijn zwarte schoenen klikten door de galmende gang. Het was een van de mannen uit de bus. ‘Kijk eens, Aks,’ zei hij en hij gaf me een microfoon.

Ik keek Mijs aan. Wat moest ik hiermee? Ik probeerde de microfoon weer aan Mijs te geven en keek haar smekend aan. Mijs duwde de microfoon tegen mijn borst, alsof ze me een belangrijke brief toestopte. ‘Wees dapper, Aksemans,’ fluisterde ze. ‘Je kunt het.’ Toen liep ze weg.

Ik was te verbaasd om iets te zeggen. De voetballer pakte mijn hand. Als een slappe pop liet ik me meevoeren naar het einde van de tunnel. Ik kneep mijn ogen samen. Een gigantische golf van kabaal en licht vulde mijn oren, mijn hoofd, mijn hele lijf. Ik hoefde niet op te kijken, ik vóelde dat ik was omringd door een joelende mensenmassa. Het kabaal klotste van alle kanten in mijn oren.

‘Kom op, Aks,’ zei de voetballer, statig als een ridder. Hij tilde mijn kin omhoog.

Nu zag ik ze. Duizenden, nee, tienduizenden mensen. Overal om me heen. Ik hapte naar lucht. Ik sloot mijn ogen en blies langzaam uit. Een trucje dat ik nog van mijn vader had geleerd. Ik hapte en blies nog een keer. Mijn buik werd een klein beetje rustiger, maar het rommelde zo hard als die keer in het moeras van Mombliepark, met dat joelende leger van monsters dat ineens opdook. Toen had ik een ijsknuppel. Daar had ik alle monsters mee vermorzeld. Het dreunende geluid van dat magische wapen kon ik nog horen. Ik sloeg de knuppel in mijn hand.

Tot mijn schrik sloeg ik écht in mijn hand. Niet met een knuppel, maar met de microfoon. Een dreunend geluid rolde door het stadion.

De mensenmassa werd stiller. Ik twijfelde even. Toen sloeg ik nog een keer. Weer dreunde het en weer werden de mensen stiller. Ik keek op en sloeg een derde keer. De mensen achter het doel stopten nu ook met springen en joelen. Het werkte! Een warm gevoel vulde mijn lijf. Alsof ik een magische kracht had gevonden. Even later was heel het stadion stil. Ik had ze stil gekregen! De microfoon was net een magische ijsknuppel!

Ik tilde de knuppel voor mijn mond en zei: ‘Ik zoek iets.’ Mijn stem hoorde ik in de verte opnieuw. Het was een heldere stem. Zonder angst.

De voetbalridder stak zijn duim omhoog.

De mensen keken me aan. Ze zeiden niets. Iedereen wachtte tot ik ging vertellen wat ik zocht.

‘Ik zoek Blubbiepap-zegels,’ zei ik. Het laatste woord golfde als een echo over de hoofden van de toeschouwers.

‘Wat?’ riep iemand vanaf het derde balkon.

‘Wat is Blubbiepap?’ vroeg de voetbalridder naast me.

‘Dat is…’ begon ik. Tja, wat was het eigenlijk? ‘Dat is… heel vies.’

Een daverend gebulder galmde door het stadion. Ze lachten, allemaal. Zelfs de mensen achter het doel. En de vriendelijke voetballer naast me ook. Ze lachten me uit!

Mijn benen wiebelden. Het gras bewoog en leek wel omhoog te komen. De tribunes kwamen dichterbij en het gelach werd steeds harder. Ik wilde wegrennen, maar het lukte niet. Mijn benen deden het niet.

Opeens veranderde het lawaai. Het gebulder veranderde in geklater. Hoorde ik het goed? Klapten ze voor me?

Toen zag ik iets glimmends door de lucht vliegen. Het viel op het randje van het gras. Daarna zag ik nog zo’n glimding. En nog één. En algauw regende het glimmers. Ze stuiterden op het gras.

‘Geld!’ juichte ik. Ze gooiden geld!

Een paar minuten later lag er een dunne brede laag glimmende muntjes rondom het voetbalveld.

‘Yesss!!’ riep ik. ‘Yes yes yes!’ Ik pakte de hand van de voetbalmeneer en we dansten een rondje op het gras. Ik zag dat ballenjongens, bewakers en zelfs de grensrechters lachend het geld voor me in een kruiwagen gooiden.

‘Nu kan je zelf Blubbiepap kopen,’ riep de voetballer.

‘Nee!’ riep ik.

De man keek me vragend aan.

‘Ik kan nu de Matrix5 meteen kopen!’

Ik omhelsde hem. En de andere spelers en de scheidsrechter en alle ballenjongens. Ik omhelsde iedereen. Ik zou zelfs Mijs hebben omhelsd, als ze er was. Zonder haar was ik hier niet, in dit stadion. Zonder haar had ik niet eens iets durven zeggen tegen die zwerver. Zonder haar had ik geen cola gekregen bij die aardige mevrouw.

Toen ik met de kruiwagen de donkere gang inliep, zag ik haar staan. Ze lachte met tranen in haar ogen. Ik lachte terug en voelde me trots en dankbaar tegelijk.

Vrienden

‘Jon, ik heb hem! De Matrix5!’ tikte ik.

‘Tof man. Hoe heb dat geregeld?’

‘Gekocht. Ik had geld gekregen.’

‘Gelukkig. Ik dacht even dat je die loser was die hier laatst om zegels kwam bedelen. Haha!’

In een schok zag ik de mevrouw, de stoppelbaard en de dakpan bij de deur. Ik klikte Jons profiel aan en las zijn achternaam.

‘Vlietstra.’

Ik gooide de matrix van me af, alsof er enge beestjes op liepen. Jon was die griezel met die stoppelbaard. Had ik mijn best gedaan om hém als vriend te houden?

Buiten klonk gelach. Iemand riep mijn naam.

Ik ging voor het raam staan en zag Ran en Mijs met een bal op het pleintje achter ons huis. Mijs zwaaide, Ran wenkte me. 

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 René Hoogschagen

Thema door Anders Norén